Waarom men in de 19e eeuw naar Noord-Amerika vertrok...Door Persburo FryslanDe massale landverhuizing naar de Verenigde Staten van Noord-Amerika begon in 1845 en ging toen groepsgewijs. In de vorige eeuw was er armoede in ons land. Er waren meerdere landbouwcrises en vooral na deze jaren (o.a. in 1880) nam de emigratie sterk toe. Ook enkele van de Nederlands Hervormde Kerk afgescheiden groepen vertrokken naar de andere zijde van de oceaan. De aanhangers van de afscheiding werden aanvankelijk door de overheid tegengewerkt: op grond van artikel 94 van het (toen geldende) Wetboek van Strafrecht waren samenscholingen van méér dan 20 personen verboden. In de periode 1845-1880 waren de gemeentebesturen verplicht om jaarlijks aan de provincie op te geven, welke personen waren vertrokken. Bij deze opgaven werd ook vaak de vermoedelijke reden van vertrek vermeld en soms werd er een schatting gedaan van het meegenomen kapitaal. De meest opgegeven redenen van vertrek waren: ‘verbetering van de maatschappelijke positie' en ‘om godsdienstige oorzaak'. Ook werden er minder fraaie redenen opgetekend, zoals ‘wangedrag' en ‘om zich van schuldeisers te ontdoen'. Want eenderde deel van alle landverhuizers namen de niet de moeite om hun vertrek bij de gemeente te melden. Briefwisselingen Het feit dat juist Noord-Amerika zo in de belangstelling lag van de Friezen is te danken aan o.m. de briefwisselingen tussen emigranten en in deze provincie achtergebleven familie en vrienden. Nadat een deel van de familie de grote stap had gewaagd, volgden er vaak meer verwanten. Van deze correspondentie zijn verschillende brieven bewaard gebleven. Men schreef over dingen die anders waren in Friesland. Zo had men blijkbaar nog nooit negers gezien, want een landverhuizer schreef: ‘zij hebben een kleur als bij U koffy zonder melk'. Men moest aan allerlei nieuwe omstandigheden en gewoonten wennen, zoals het doen van de was. In ‘het nieuwe land deed men dat met een waschbord'. Nieuw was ook dat de was vervolgens op een lijn werd gehangen, in plaats van op rekken. Een andere emigrant schreef over het fabeltje van het groeien van dollars aan de bomen, zoals appels en peren in Holland. Men moest dit beslist niet geloven. ‘Deze leugens komen van bier'. Heimwee In 1872 werd de eerste lijndienst van Rotterdam naar New York geopend. Dat maakte emigratie nog eenvoudiger, want voorheen moest men ergens in een Duitse of Engelse haven aan boord. De Friese dichter en schrijver Tjibbe Geerts van der Meulen uit Burgum gaf omstreeks 1875 op diverse plaatsen in Friesland lezingen. Hier wees hij op de mogelijkheden in Noord-Amerika. Hij was ook agent voor een stoomvaartmaatschappij en verdiende er dus aan wanneer hij emigranten voor een overtocht boekte. Van der Meulen schreef in die dagen zijn ‘Lânforhuzerssang' over ‘Amerika, dou lân fan dream en winsken'. In deze ‘sang' kwamen de hoop op voorspoed en welvaart tot uitdrukking, maar ook de heimwee van hen, die ondanks alles het zo dierbare Friesland niet konden vergeten. Dat klonk door in de zin: ‘Mar ienris sil ik stjerrend hjitte: Jow my in grêf yn Fryslâns groun'. Derde landbouwcrisis In het jaar 1879 begon de derde landbouwcrisis, die tot ong. 1895 zou duren. De binnenlandse markt werd in die tijd overstroomd met goedkope tarwe, rogge en gerst uit Amerika (!). Het gevolg hiervan was dat de prijzen van deze producten in Friesland drastisch daalden. De uitvoer van boter stagneerde, waardoor ook de melk veel minder waard werd. De boeren kregen dus niet genoeg geld voor de opbrengsten en moesten sterk bezuinigen op hun eigen uitgaven maar ook op de loonkosten van de arbeiders. In veel gevallen werden deze arbeiders ontslagen of kregen ze verlaging van loon. Uit pure armoede en voor een betere toekomst van hun kinderen, vertrok men naar Noord-Amerika. Stoomvaart-maatschappijen speelden, met advertenties in kranten, gretig in op vele emigratie-wensen. In verschillende dorpen waren zelfs onder-agenten ingesteld, die de reis konden regelen. Verder werd in diverse bladen voorlichting gegeven over het vervoer, prijzen van vracht en dergelijke. Een overtocht kostte 57 gulden voor een volwassene en kinderen tot 12 jaar konden voor half geld. Beneden de één jaar was het gratis. De gevraagde bedragen waren voor die tijd vrij aanzienlijk, wanneer men bedenkt dat het weekloon van een arbeider zes gulden was. Overigens deed ook de Amerikaanse regering er alles aan de immigratie zo soepel mogelijk te doen verlopen. Bij aankomst waren ‘Hollands sprekende ambtenaars' aanwezig. Zij gaven inlichtingen en boden hulp bij de verdere reis het land in... |